“Zij met een groot hoofd zijn opmerkzaam; zie de honden. Zij met een klein hoofd zijn stompzinnig; zie de ezels. Zij met een spits hoofd zijn brutaal en schaamteloos; zie de roofvogels”. Aldus de oudste voorloper van de testpsychologie: de dierfysiognomie.
De dierfysiognomie ontstond zo’n 2300 jaar geleden, tijdens de Griekse oudheid. Gekeken werd op welk dier iemand leek; daaruit werd afgeleid over welke karaktereigenschappen hij beschikte. Tijdens de Renaissance beleefde de dierfysiognomie een revival. Deze afbeelding is afkomstig uit het bekendste werk uit die tijd, De humana physiognomonia (1586) van de Italiaanse natuurfilosoof Giambattista della Porta. Als illustratie gebruikte Della Porta de enige bekende Romeinen van zijn tijd: standbeelden van Romeinse keizers.
In de loop der tijd raakte de dierfysiognomie in diskrediet. Steeds meer werd zij geassocieerd met charlatanerie en oplichterij. In Engeland werd in 1720 zelfs een wet aangenomen tegen “iedereen die doet alsof hij kennis heeft van de fysiognomie of vergelijkbare fantastische verzinselen”. Een overtreder riskeerde “zweepslagen totdat zijn lichaam in bloed gedrenkt is”.